Kerkuil & biotoop

Officiële naam: Tito alba

Kerkuil
Er komen in Nederland 2 ondersoorten voor:
  1. Tito alba guttata, dit is de donkere soort. Deze komt het meeste voor.
  2. Tito alba alba, dit is de lichte (witte) soort.

De naam kerkuil heeft hij gekregen omdat hij in het verleden vaak zijn broedplaats had in kerken. Veel vaker broedde hij echter in (boeren) schuren. Daarom wordt hij in Engeland ook barn owl genoemd.

Kenmerken

Het opvallendste verschil tussen een kerkuil en andere uilen is de vorm van de gezichtssluier. Deze is bij de kerkuil hartvormig en bij de andere uilen rond. Een kerkuil is smal gebouwd, weegt tussen de 300 en 400 gram. De brede vleugels hebben een spanwijdte van bijna een meter. De kerkuil is de meest nachtelijke vogel onder de uilen. Overdag zit hij meestal ergens te dutten, ook wel roesten genoemd. Hij komt gewoonlijk pas in actie als het donker is.

Het geluid van de kerkuil

Voor uilen zijn geluiden van groot belang. Het is het enige contact dat ze met elkaar hebben. Aan de geluiden herkennen ze elkaar. Bij de kerkuil zijn 18 soorten geluiden vastgesteld. De geluiden kunnen verdeeld worden in een vijftal groepen: baltsgeluiden, verdedigingsgeluiden, bedel- en voedergeluiden, sociale contactgeluiden en geluiden van de jongen. Enkele van de meest voorkomende geluiden zijn:

De baltsroep.

De baltsroep, die uit een ijselijk, luid gekrijs bestaat, is het meest indrukwekkende geluid, dat het mannetje in de vlucht laat horen. Het is de eigenlijke zang van de kerkuil. De "schreeuw" is op honderden meters hoorbaar. Het mannetje laat zo duidelijk horen dat hij aanwezig is en een territorium bezit.

De baltsroep van de kerkuil:

De baltsroep van het vrouwtje en nog een ander contactgeluid:

Blazen

Blazen is het karakteristieke geluid van de jongen. Zodra de zon is ondergegaan, produceren de jongen dit monotone geluid op de nestplaats.

Het blazen en tsjilpen van de jongen:

Tsjirpen

Het eerste geluid dat een jonge kerkuil laat horen, wanneer het uit het ei is gekomen, is een "rinkelend" getjilp, gecombineerd met piepende, krassende en klokkende kreten: tsjirpen. Het geluid wordt veelal gehoord vlak vóór, tijdens en na het voeren van de jongen door het wijfje. Tegen het einde van de eerste levensweek krijgt het blazen geleidelijk de overhand.

Tongklikken

Bij naderend gevaar laat het jong, naast het blazen, "tongklikken" horen: het slikt als het ware de tong in, waardoor de boven- en ondersnavel op elkaar klappen. Het tongklikken wordt vaak afgewisseld met een sissend geluid, waarbij de snavel licht geopend is.

Het biotoop

Het leefgebied van de kerkuil bestaat in Nederland en in de omringende landen grotendeels uit half open cultuurlandschappen met allerlei kleinschalige elementen. De kerkuil is een specifieke jager van het open veld en hij komt het meest voor in die kleinschalige gebieden, waar gras- en bouwland worden begrensd door kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Maar ook ruig begroeide, slecht onderhouden graslandgebieden, ruige grasstroken en wegbermen worden als jachtterrein benut. De meeste kerkuilen worden aangetroffen in het half open landschap op de zandgronden: Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland en Noord Brabant. De grootte van het jaaggebied wordt hoofdzakelijk bepaald door het voedselaanbod. Bij een rijk aanbod aan voedsel hebben kerkuilen voldoende aan een oppervlakte van 0,4 - 0,6 km2.

Jagen

Ongeveer een uur na zonsondergang verlaat de kerkuil de roestplaats om op jacht te gaan. De kerkuil is er helemaal op gebouwd om in het donker te jagen. Een kerkuil kent drie manieren van jagen. Langzaam laagvliegend op hoogte van 1,5 tot 4 meter boven de grond, draaiend en kerend op zoek naar een prooi. Als hij zijn prooi gelokaliseerd heeft duikt hij er naar toe en dood de prooi met zijn klauwen. Hij kan ook vanaf een geschikte zitpost wachten tot er een prooi voorbij komt om hem vervolgens met een duik naar voren te grijpen. De derde jaagmethode is het "bidden": de uil blijft tijdens het laagvliegen, als een prooi wordt opgemerkt, even in de lucht hangen. De kerkuil kan zelfs een stukje terugvliegen! Wordt de prooi gelokaliseerd, dan stort hij zich er op.

Menu

De kerkuil is een van de weinige soorten onder de uilen, waarvan het voedsel op grote schaal is onderzocht. Uit de braakballen, die de onverteerbare prooiresten van de kerkuil bevatten, kan het menu worden vastgesteld. Het voedsel van de kerkuil bestaat grotendeels uit woelmuizen, spitsmuizen en ware muizen (98%). Vogels, amfibieën en ongewervelde dieren vullen het menu aan (2%). De belangrijkste prooisoorten zijn de veldmuis, de bos- en huisspitsmuis.